Van Pangkor naar Penang

We vertrokken vanmorgen om kwart voor 8 vanuit Pangkor Island voor de rit naar het eiland van Penang. Gelukkig niet zo’n vreselijke lange rit, iets meer dan 3 uurtjes in de bus met tussendoor nog een stop van een halfuurtje. Het is tevens onze laatste rit met deze bus.

Tussen het vaste land en het eiland van Penang ligt een 8 km lange brug, dus deze keer geen boottochtje om de reis af te sluiten. Penang is de “Silicon Valley” van Zuid-Oost Azie, alle grote namen zitten hier zoals Intel, AMD, etc, etc. Gelokt door lage belastingen en een hele goede infrastructuur. Er wonen 800.000 mensen op het eiland waarvan 400.000 in Georgetown. We namen in Penang afscheid van onze chauffeur en de lokale gids, die gingen vandaag nog direct helemaal terug naar Kuala Lumpur (ongeveer 7 uur rijden). Voordat we de sleutel kregen van onze kamers hier in het Bayview hotel in Georgetown moest er eerst een keuze gemaakt worden voor de optionele excursies hier op Penang en de komende dagen op Langkawi. Onze reisleider zal ons namelijk binnenkort ook verlaten. De laatste dagen op Langkawi zal hij er niet meer bij zijn.

Na de lunch vertrokken we al gelijk met de eerste excursie, een tochtje met Riksja’s door een stukje van Georgetown. Er zit dan zo’n oud mannetje op de fiets die jou in een bakje ervoor rondrijdt, eigenlijk een beetje genant, maar het levert nog wel inkomen voor deze mensen op. Tijdens dit ritje stopten we eerst bij het vrijheidsplein met mooie oude gebouwen volgens typische Engelse architectuur. Georgetown staat hier vol mee en delen zijn inmiddels gerestaureerd, ze staan dan ook de Unesco lijst als officieel erfgoed.
Vroeger was Penang een Engelse kolonie. Toen we hier waren zagen we de onweerswolken alweer aankomen. We reden door naar een van de 6 nog overgebleven pieren waar hele Chinese families wonen. Dit hebben ze ooit zo gesticht omdat ze dan geen belasting hoefden te betalen. Inmiddels zijn die regels al gewijzigd maar ze blijven hier wonen. Het is wel erg smerig en het stinkt want ze gooien al hun vuil zo overboord in het water. De stortbui kwam nu goed los dus we bleven maar even staan. Toen het ergste over was liepen we terug naar de Riksja’s die door de oude mannetjes inmiddels helemaal waren opgetuigd met “regenkleding”.

De volgende stop was het Chinees familiehuis van de familie Khoo die bestaat uit 7000 leden waarvan er 4000 hier in de omgeving wonen. In dit familiehuis komen alle leden van een familie samen om hun voorvaderen te eren, kinderen op te leiden, conflicten te beslechten, etc. Het is een prachtig pand met veel opsmuk. Dat maakt het verhaal nog aparter dat het vorige huis, dat 2 keer zo groot was, vlak na oplevering afbrandde op 2 panelen met Chinese goden na. Dit werd geintrepreteerd dat ze het te groot en te mooi hadden gemaakt en dat het kleiner en nederiger moest, het mocht de tempels niet naar de kroon steken. Er zit hier heel veel handwerk in, uit graniet uitgehakte palen met allerlei voorstellingen, veel houtsnijwerk, beschilderde panelen, etc. We reden vervolgens ook nog even “little India” in, en inderdaad direct een heel cultuurverschil. Veel meer muziek op straat, veel meer drukte en duidelijk een ander type mensen. Hier gingen we nog heel even een Hindoe tempel in.

‘s-Avonds zijn we gaan eten in het Red Gardens food court. Een groot overdekt plein vol met tafels en stoelen en met allemaal eettentjes eromheen. Je kan je eten bij verschillende tentjes bestellen en dan je tafelnummer opgeven. Even later wordt het gebracht. Allemaal erg lekkere hapjes en het kost bijna niets. Ik was nog geen 20 Ringgit kwijt (~5 euro). De groep bleef lang hangen en ik werd zo langzaamaan misselijk van een paar uur in die lucht. Ook de plastic stoeltjes begonnen hun tol te eisen op mijn zitvlak en mijn rug. Heb nog even overwogen alleen ergens wat te gaan drinken maar dat leek me toch geen goed idee in een stad die ik niet ken.

 

Foto’s van deze dag